Eigen baas, Volkskrant Banen

Door Maartje van Hoek Met wormen de kost verdienen. Eric-Jan van Trijen (21) probeert het in de boerenschuur van zijn ouders. Met het idee won hij een plaats in de Topklasse-onderneming van zijn Hogeschool. Een ondernemer was hij altijd al. Eric-Jan van Trijen (21) startte op zijn vijfde een mini-groentenmarktje aan huis. Hij kreeg honderd knolselderijplanten van zijn ouders en verkocht de knolselderij voor één gulden per stuk. Zijn spaarpot zat daardoor altijd vol, en van zijn ouders leerde hij dat je dat geld het beste weer kon gebruiken om te investeren in iets nieuws. In het Brabantse dorp Halsteren (net tegen de grens met Zeeland) krioelen in een donkere boerenschuur duizenden wormen in bakken met aarde. De nieuwste aanwinst van Van Trijen, die met zijn wormenplan een plek veroverde in de Topklasse-onderneming van de Hogere Agrarische School in Den Bosch waar hij dit jaar afstudeert. In een bomvolle collegezaal moest hij daarvoor op een badmat (de idols-stip van de HAS) zijn plan presenteren aan een strenge jury. Omdat hij won, start hij nu zijn eigen bedrijf onder begeleiding van een coach uit het bedrijfsleven, een persoonlijk coach en een stagebegeleider. Tijdens de lessen leert hij onder meer een ondernemingsplan te schrijven. Met een schepje roert hij door de grote plastic bakken waarin hij zijn wormen huisvest. Hoeveel het er ongeveer zijn? Hij kocht er in het begin zo’n 14.000 maar dat zouden er ondertussen al veel meer kunnen zijn. ‘Ze planten zich ook voort.’ Hoe dan? Hij wijst met zijn vinger: ‘Wormen hebben een ring om hun lijf waar de andere worm doorheen kruipt. Het duurt negen maanden voor een eitje een volwassen worm is.’ Zijn geboortedorp Halsteren ligt naast het Zeeuwse vissersdorp Tholen. Zijn wormen wil hij dan ook gaan verkopen als visvoer. Omdat sommige vissers een klein wormpje aan de haak prefereren en anderen liever een zo dik mogelijke worm zien, heeft hij zes verschillende bakken met daarin de wormen op volgorde van klein naar groot. Voor een kilo wormen (zo’n 800 tot 1.000 stuks) gaat Van Trijen veertien euro vragen. Maar zijn wormen dienen niet alleen als zee-aas voor de vissers. De aarde waarin Van Trijen ze huisvest is een onderlaagmix van verschillende soorten turf. Het is onderzocht door de Universiteit van Wageningen: daarin voelen wormen zich het beste thuis. En dus plaatste Van Trijen zijn wormen in de luchtige onderlaagstructuur. Met als bijkomend voordeel dat de wormen de onderlaag helemaal opeten en weer ontlasten. Die ontlasting verkoopt de jonge Brabander als fijne compost. Naast de donkere ruimte waar de wormen staan, staat een enorme zak met vermi-compost in de schuur. Vermi, dat is Latijn voor worm. De structuur van de compost is ontzettend fijn, vooral buitenplanten gedijen er goed bij. Binnenkort, als Van Trijen meer tijd heeft, gaat hij de compost in zakjes doen en per liter verkopen. Omdat de compost zo fijn is –alleen wormen kunnen het op deze manier produceren- kan hij daarvoor straks een goede prijs per liter gaan vragen. Hoeveel precies, dat moet hij nog onderzoeken door te bekijken wat anderen vragen voor hetzelfde goedje. Van Trijen moet toegeven: was hij in de stad geboren dan was hem dit allemaal niet gelukt. Niet alleen kreeg hij van zijn ouders op zijn vijfde al een veldje beschikbaar waar hij zijn groenten op verbouwde, ook was hij anders nooit op het idee gekomen wormen te kweken. Daarover las hij drie jaar geleden een artikel in het agrarisch maandblad De Oogst waar zijn ouders een abonnement op hebben. En dat is niet het enige voordeel. Zijn ouders, eigenaren van een akkerbouwbedrijf van 63 hectare, schonken hem een aardappelzeef die ze vroeger op het land gebruikten. ‘Door de overproductie van aardappelen in Nederland viel er niet veel meer te verdienen in die sector. Mijn ouders verbouwen daarom nu bijna alleen nog zwarte bessen.’ De zeef gebruikt Van Trijen om de fijne compost van de wormen te scheiden. De wormen blijven op het rooster liggen waar vroeger de aardappelen lagen. Dat je inventief moet zijn om zonder al te veel geld een bedrijfje te starten, bewijst Van Trijen. Met alleen zijn studiefinanciering komt hij niet ver en dus gebruikte hij de kratten die zijn ouders gebruiken voor de zwarte bessen, om de wormen in te zetten. Ook ging hij naar de visafslag en vroeg om oude kisten die toch niet meer gebruikt werden. De frietfabriek verderop in de polder vroeg hij om aardappel-stoomschillen. ‘Dat is het afval van de aardappel. Normaal gesproken gooien ze dat weg.’ Nu brengt Van Trijen met de speciekuip achterop de tractor om de zes weken een bezoek aan de fabriek en laadt zijn kuip vol met afval. ‘Echt wormenvoer is hartstikke duur. Dat zou ik niet kunnen betalen. Op deze manier lukt het wel.’ In de toekomst wil Van Trijen naast wormenproducent ook akkerbouwer worden. Het bedrijf van zijn ouders wil hij overnemen, die moeten dan verhuizen naar het dorp. Dat weten ze al hun hele leven, en vinden ze prima. Ondertussen is Van Trijen alweer bezig met een volgende project. Hij kocht een lading kerstbomen op en wil die over een paar maanden versierd met ballen en lichtjes verkopen en thuis bij de klant afleveren. Momenteel bekijkt hij hoeveel de consument daar voor over heeft.
{{ message }}

{{ 'Comments are closed.' | trans }}